INTERNATIONALE HISTORIE VAN DE ENVELOP EN POSTVERZENDING


De navolgende teksten en de daarbij behorende afbeeldingen geven een samenvatting van de evolutie van de envelop en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van postverwerking. Hiervoor zijn een aantal bronnen geraadpleegd op internet, waaronder gedigitaliseerde boeken uit de 19e eeuw.
Met name de patenten uit de database van
DEPATISNET vormen een belangrijke bron van informatie.
Klik
HIER om naar de betreffende bronnen te gaan.
Inhoud:
Enveloppen-algemeen
De gevouwen brief-envelop
Eerste bedrukte brief-enveloppen (de Mulready brief-envelop)
Ontwikkeling van de envelop in Engeland en Amerika
De eerste enveloppenmachine in Engeland (Warren De la Rue & Edwin Hill-1844)
Eerste producent van enveloppen in Amerika
Envelop April 1862-Amerikaanse Burgeroorlog (Civil War Patriotics)
Eerste enveloppenmachine in Amerika (Jesse K. Park & Cornelius S. Watson-1849)
Eerste commercieel succesvolle enveloppenmachine in Amerika (Russell L. Hawes-1853)
De lage snelheid van enveloppenmachines (E. W. Goodale-1855)
Inbreuk op patenten (Proces van De La Rue & Co. tegen Dickenson & Co.)
Oneerlijke concurrentie (The "paper duty")
Stempel- en frankeermachines
 
Technische ontwikkelingen in de enveloppenproductie
        - Snijden van enveloppenvormen (George Wilson-1840)
        - Vacuüm en blaaslucht (M. Remond-ca. 1850)
        - Rollensnit-envelop uit een rol papier (S. E. Pettee-1859)
        - Aftelmechanisme voor enveloppen (George Reay-1862)
        - Droogtrommel voor gegomde enveloppen (John Armstrong-1862)
        - Invoermechanisme voor enveloppenvormen (George Reay-1864)
        - Stansmessen en stansmachines voor enveloppenvormen (Henry R. David-1858 en Martial Dimock-1864)
        - Reliëf-drukken van enveloppen (Thomas Waymouth-1866)
        - Alternatief voor het snijden van vellen (James Ball-1870)
        - Het eerste uitleg-rad (Allen & Lester-1873)
        - Snijden van vellen voor enveloppenproductie (james Ball-1885)
        - Gommeren van enveloppen
 
Ontwikkeling van speciale enveloppen
        - Enveloppen met draad tbv openen envelop (C. Phelps-1858)
        - Enveloppen met schrijflijnen (Emanuel Harmon-1859)
        - De eerste enveloppen met venster (Americus F. Callahan-1901)
        - De envelop met binnendruk (1903)
        - De envelop met voering (1912)
        - De poeder-dichte envelop (Elco Papier AG-1949)

Algemeen:

Alhoewel het bij "Enveloppen" en "Postverzending" om twee verschillende zaken gaat, zijn deze toch onlosmakelijk met elkaar verbonden door één groeiende wens in de 19e eeuw: verbetering van communicatie en reductie van kosten bij de productie en verzending van (o.a.) enveloppen over grote afstanden!

De naam "Envelop" stamt uit de 18e eeuw en komt van het Franse "Enveloppe" en betekent "Omwindsel". Het is simpelweg de wikkel of verpakking van - in dit geval - een bericht.

Klei-envelop plus brief De oudst bekende variant van een "envelop" werd gebruikt in de tijd van Hammurabi, Koning van Babylon (1791 - 1750 v. Chr,). Hierbij werden de boodschappen - vaak bevelen aan legerleiders - in klei gegraveerd en gebakken, waarna de kleitegel opnieuw in klei werd verpakt en nogmaals werd gebakken om deze te beschermen voor nieuwsgierige ogen (voor zover deze het lezen al machtig waren).
De enige manier om kennis te nemen van de boodschap, was het breken van de buitenste kleilaag.
Klei-envelop (links) met "brief" (rechts)

Toen papier eenmaal werd gebruikt voor de geschreven, vertrouwelijke berichten, werden deze brieven opgevouwen en meestal afgesloten door een rood waszegel.
Voor rouwbrieven werd dan een zwart lakzegel gebruikt.

Hierbij werd vaak een zegelring of stempel gebruikt als afdruk in de was, om te voorkomen dat het zegel werd verbroken en na het lezen van de inhoud weer met was werd gesloten.
Later werd de boodschap in een aparte wikkel gestoken, waarmee de envelop was geboren.

Het gebruik van de eerste papieren envelop is slechts bij benadering aan te geven. Waarschijnlijk werd een "papieren envelop" al wel gebruikt in het oude China. Pas in de 17e eeuw verschenen papieren enveloppen voor het eerst in Spanje en Frankrijk.

Naar BEGIN

De gevouwen brief-envelop:

Tot aan de Britse postale hervorming in 1839 werden enveloppen nauwelijks gebruikt.
Enveloppen waren relatief duur omdat deze geheel met de hand werden geknipt en geplakt. Bovendien waren de posttarieven tot 1840 gebaseerd op het aantal vellen papier en de afstand, waarover deze werden vervoerd.
Een envelop werd in dat geval als een extra vel papier beschouwd, waardoor de verzendkosten nog duurder werden, en dus werd de meeste post verstuurd als "brief-envelop" ( een gevouwen vel papier, gesloten met een waszegel, later met lijm), die vaak behoorlijk groot waren.
Bill Senkus, de drijvende kracht achter de website "http://alphabetilately.com/SiteMap.html", bezit een brief ter grootte van 19,5x35,5 cm, in vieren gevouwen en aan beide zijden dicht beschreven. Blijkbaar was er geen beperking in het formaat wat gebruikt en verzonden kon worden.

Brief-envelop horizontaal en verticaal beschreven Niet alleen waren de brief-enveloppen vaak zo groot mogelijk, maar deze werden op inventieve wijze soms ook zowel horizontaal als verticaal beschreven om zodoende zoveel mogelijk informatie over te brengen aan de geadresseerde.

Brief uit begin 19e eeuw.

Naar BEGIN

De "Mulready" brief-envelop:

Mulready 
brief-envelop Tot aan 1839 was het gebruikelijk om de portokosten van een brief te laten betalen door de ontvanger. Aangezien dit nogal nadelig was voor de Britse posterijen - een ontvanger kon de brief gewoon weigeren door niet te betalen - probeerde men op diverse manieren het verzenden van brieven te stimuleren.
In 1840 verschenen voor het eerst voorbedrukte brief-enveloppen met illustraties van William Mulready. Dit waren rechthoekige vellen papier met een afbeelding en vermelding van de posttarieven.
Ze werden ingevoerd door de Britse post om vooraf betaald porto aantrekkelijker te maken.

Mulready's brief-envelop met vermelding van porto-kosten.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

De afbeeldingen stelden een in het midden afgebeelde "Brittania" voor, met uitgestrekte armen, ten teken van de wereldwijde post vanuit Engeland.
Deze "Mulready enveloppen" waren niet populair en werden alom bespot. Volgens een brochure, uitgegeven door het Nationale Post Museum, bedreigden de "Mulready enveloppen" het levensonderhoud van de vaste producenten, die de bespotting daarom aanmoedigden. Ze werden zo impopulair dat de regering weigerde om ze nog langer te gebruiken als officiële poststukken.
In 1841 verdwenen ze dan ook van het toneel.

Naar BEGIN

Ontwikkeling van de envelop in Engeland en Amerika

Met name in Engeland - en daarmee ook Amerika - mag worden gesproken van een revolutie van de envelop.
Deze was op zich geen Britse uitvinding aangezien enveloppen op het vaste land al bekend waren in Noord Italie, mogelijk zelfs al in de 16e eeuw in het Ottomaanse rijk.

In Engeland werd in 1820 door de papiergroothandel Brewer in Brighton de eerste enveloppen geproduceerd voor een vereniging van badgasten.
Deze werden door middel van een metalen sjabloon gesneden en handmatig geplakt.
Blijkbaar was dit een groot succes, want al snel had Brewer twaalf mensen aan het werk om handmatig enveloppen te produceren.
Toen de omzet steeg, gaf hij aan de Londense firma Dobbs & Co. opdracht om enveloppen in grote hoeveelheden te maken.

Tot aan 1840 werden enveloppen met de hand gemaakt.
Klerken op kantoren, die zich de extra kosten van een envelop veroorloofden, sneden deze met behulp van een metalen mal uit vellen papier.
De enveloppenvorm werd dan gevouwen en geplakt. Nadat de brief in de envelop was gestopt werd de envelop met was verzegeld.

Pas na 1840 werd de envelop gemeen goed. In 1841 werd vastgesteld dat ongeveer de helft van alle correspondentie via postkantoren van het Verenigd Koninkrijk werd verstuurd in enveloppen en in 1850 waren dit er al 89 van de 100.

Naar BEGIN

De eerste enveloppenmachine in Engeland

Enveloppenmachine Hill-de la Rue Voor zover bekend werd de eerste, door stoom aangedreven automatische enveloppenmachine - en het daarbij behorende apparaat om stanslingen uit te snijden - in Engeland gebouwd in 1844 door Warren De la Rue en Edwin Hill, de broer van Sir Rowland Hill, bekend om zijn Britse posthervorming in 1839. Hill en De la Rue vestigden zich in 1837 als Thomas De la Rue & Co. in Bunhill Row 110, London, en kregen voor deze machine in 1845 patent.
De enveloppen (met kruissluiting) konden nog niet op de machine worden gegomd.
Deze machine werd voor het eerst getoond in 1851 tijdens de eerste wereldtentoonstelling en industriebeurs "The Great Exhibition" in Crystal Palace, Hyde Park in Londen.
Dit was de eerste wereldtentoonstelling waar, naast allerhande huisvlijtarikelen, ook een groot aantal revolutionaire machines werden getoond.

De machine van De la Rue en Hill kon per dag (van 10 uren) 27.000 tot 30.000 enveloppen produceren en was zo nauwkeurig, dat slechts één op de 2.000 enveloppen niet goed was gevouwen.

Enveloppenmachine van Edwin Hill en Warren De la Rue-1844.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

 
Op pag. 543 van de "Official Descriptive and Illustrated Catalogue" van de "Great Exhibition of the Works of Industry of all Nations" uit 1851 lezen we:
"Deze machine produceert een aantal van 2700 enveloppen per uur, en ofschoon deze het handmatige vouwen vervangt, is het bevredigend om te zien dat, in plaats van handwerk te vervangen, de ingebruikname van deze machine ter uitbreiding van het gebruik, in werkelijkheid voor meer werk heeft gezorgd dan het heeft verdrongen."

Niemand had daarbij commentaar op de 8 jaar oude kinderen die de machine bedienden, en die een hand of een vinger konden verliezen bij het handmatig insteken van de stanslingen bij een snelheid van één stansling per seconde.

In "The American Cylopaedia" uit 1859 wordt op blz. 229 de werking van de machine van De la Rue en Hill als volgt beschreven:
"De blanco enveloppenvormen worden ruitvormig gesneden met een apparaat, lijkend op een pers om poetslappen voor geweren uit te snijden.
Er worden in één keer 250 enveloppenvormen gesneden dmv een schuine snede over het papier, waardoor veel afval wordt voorkomen.
Het zegel (of stempel) wordt met een reliëfstempel op de klep gedrukt en de lijm wordt handmatig op de klep aangebracht.
Daarna legt een jongen de enveloppenvormen één voor één op een smalle tafel die de mal vormt van de machine welke de grootte heeft van de uiteindelijke envelop."

Klik HIER om de hele tekst te lezen.

Naar BEGIN

Enveloppenmachine met vacuüm en blaaslucht

Advertentie Remond & Co. Op deze wereldtentoonstelling, "The Great Exhibition", werden, behalve de machine van De la Rue en Hill, nóg twee Engelse enveloppenmachines getoond, namelijk de machine van J. Black uit Edinburgh en de machine van Amédeé Francois Remond, van A. Remond & Co., Envelope Manufaturers uit Great Charles street 37, in Birmingham.
Advertentie uit het adresboek van Warwick-1850

Laatstgenoemde machine werd op de wereldtentoonstelling gedemonstreerd door de firma Waterlow & Sons, uit London Wall. En alhoewel de machine van De la Rue en Hill veel meer bekendheid geniet, mag de machine van Remond niet ontbreken in dit overzicht.
Het was namelijk de eerste machine waarbij sprake is van zuig- en blaaslucht, wat blijkt uit de "The American Cylopaedia" uit 1859, die dit als volgt beschrijft:
"Hierbij worden de enveloppenvormen aangevoerd dmv een holle arm waarin de luch, terwijl de arm naar voren gaat, wordt weggedrukt, en als deze als zodanig boven de stapel enveloppenvormen komt, blijft één daarvan aan de bovenkant van de stapel vastkleven ten gevolge van de atmosferische druk aan het eind van de dubbele buis, en wordt aldus verplaats totdat de buis weer met lucht is gevuld waarna de enveloppenvorm op een plaats valt waar dmv een neerdalende klem de stansling tegen een spons, bedekt met lijm wordt gedrukt.
De belijming, aldus precies aangebracht op de plaats waar deze nodig is, en het stempelen of reliëf drukken gebeurt gelijkertijd.
Het papier wordt nu met een persblok in een holle opening geduwd, de zuiger wordt teruggetrokken en een stoot blaaslucht, aangevoerd door vier geperforeerde schotten in de holle opening, blaast drie kleppen naar beneden, en de neerwaartse beweging van de zuiger drukt deze op hun plaats."
De machine van Remond, die een productiesnelheid van 40 enveloppen per minuut had, was echter geen succes. Al tijdens de expositie op The Great Exhibition in 1851 bleek, dat de machine van De la Rue en Hill duidelijk beter presteerde. In het boek "The Industry of Nations part II. A survey of the existing state of Arts, Machines and Manufactures" uit 1855 lezen we het volgende verslag:
"Gedurende de tijd, dat de machine draaide, bestudeerden wij hem nauwkeurig, en vergeleken diens prestatie met de machine van de Heren De la Rue. En de mening die wij daarop vormden was, dat de heer Remond's machine defect was of zeer slecht was geconstrueerd, aangezien deze regelmatig een slechte envelop leverde, terwijl de machine van De la Rue niet één slechte envelop opleverde uit enkele duizenden."
Toch werd de machine aangekocht door Dickenson & Co., wat in 1857 leidde tot een proces met betrekking tot het inbreuk maken op de patenten van De La Rue & Co.
Zie ook het verslag "Inbreuk op patenten", verderop in dit bestand.

Naar BEGIN

Eerste enveloppenproducent in Amerika

Mogelijk was ene Pierson de eerste commeriële enveloppenproducent in New York, alhoewel diverse bronnen hierover verschillende informatie geven.
In "The New American Cyclopaedia" uit 1859 worden de heren Bell en Gould, en George F. Nesbitt uit New York genoemd als eerste leveranciers van handgemaakte enveloppen in de Verenigde Staten.
Bell en Gould gebruikten later een enveloppenmachine, uitgevonden door Gerard Sickels uit Brooklyn, New York, welke, "naar men heeft begrepen goed dienst heeft gedaan".

Pierson had in 1839 een drukkerij op Fulton street en maakte in 1843 handelsenveloppen.
Omdat het handmatig maken van enveloppen te kostbaar was, hield hij daar mee op en verkocht zijn zaak aan William Dangerfield, die vanuit een gehuurde kamer op Fulton 180 werkte. Financiële problemen zorgden er voor dat Dangerfield zijn handel in 1847 moest verkopen aan zijn huisbaas, Jacob Berlin.
De financiële resultaten vielen zo tegen, dat Berlin deze handel alleen nog voortzette om zijn medewerkers aan te houden totdat hij een koper had gevonden. Maar de handel in enveloppen verbeterde.
Berlin verkocht zijn zaak in 1852 aan William G. West, waarbij Berlin's zoon Henry Clay Berlin in de zaak bleef en in 1853 mede-eigenaar werd.

In 1852 kochten West en Berlin een Franse enveloppenmachine voor 600 dollar, welke niet echt succesvol bleek te zijn.
In 1853 werd de zaak omgedoopt tot West & Berlin aan de Pine street no. 67 en in 1855 verhuisden zij naar het zes verdiepingen tellende William 120.
Op dat moment werkten daar 1200 mensen die de enveloppen handmatig vouwden. De capaciteit bedroeg toen 250.000 enveloppen per dag. In 1856 verkocht West zijn belang aan George H. Jones, een handelaar aan John street en werd de firma omgedoopt tot Berlin & Jones. In 1857 verhuisde het bedrijf naar een groter pand op Wales street 534 en produceerde 600.000 enveloppen per dag.

Civil war patriotic-envelopBerlin & Jones Co. was een belangrijke producent van de zgn. "Civil War patriotics", enveloppen met vaderlandslievende afbeeldingen, die tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) werden verkocht.

Civil War Patriotics envelop.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

In 2003 werd Berlin & Jones overgenomen door "Commercial Envelope Manufacturing" op Deer Park New York. Het bedrijf heeft een jaarlijkse omzet van $ 140 miljoen uit zeven fabrieken, verspreid over de Verenigde Staten.

Naar BEGIN

Eerste enveloppenmachine in Amerika-Park & Watson

Enveloppenmachine Park-Watson Op 23 Januari 1849 verkregen Jesse K. Park en Cornelius S. Watson onder nummer 6055 patent op de eerste enveloppenmachine in de Verenigde Staten.
De door pedalen bediende vouwmachine bracht eerst lijm aan en vouwde daarna de envelop. De machine werd nooit commercieel gebruikt omdat deze door verbeterde machines en nieuwe patenten als snel was achterhaald..

Enveloppenmachine van Jesse K. Park en Cornelius S. Watson-1849.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Naar BEGIN

Eerste commercieel succesvolle enveloppenmachine in Amerika- Russel L. Hawes

Enveloppenmachine Russel L. 
Hawes 1853 Nadat de eerste enveloppenmachine van Park en Watson was geflopt, verscheen de eerste, echt commercieel succesvolle enveloppenmachine in Amerika in 1853.
Deze door stoom aangedreven machine werd gebouwd door Dr. Russell L. Hawes.
Hawes, een arts uit Worcester, Massachusetts (U.S.), die uitvinden als hobby had, had zijn artsenpraktijk verlaten en ging werken bij "Goddard, Rice & Company", één van de grootste drukkerijen in Worcester, Massachusetts, waar hij, volgens "Hunt's Merchants' Magazine" in 1852 een drukmachine voor katoen uitvond, die in één keer twaalf verschillende kleuren kon drukken.
Hawes kreeg voor deze machine onder nr. 9812 het patent op 21 Juni 1853.

Enveloppenmachine van Russel L. Hawes-1853.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Zijn uitvinding was een aanvulling op eerdere enveloppenmachines en bestond uit een mechanisme om automatisch stanslingen in te voeren, waardoor er minder mensen nodig waren om de machine te bedienen.
De lijm voor de zijkleppen werd aangebracht door twee aparte rollen die aan de onderzijde van twee aparte lijmreservoirs - één links en één rechts van de machine - waren bevestigd.
Elke keer dat er een envelop werd doorgevoerd, werden de reservoirs mét de lijmrollen naar beneden geduwd en werden de lijmrollen dmv een tandwiel een stuk verrold, waardoor de lijm op de zijkleppen werd aangebracht. De drie kleppen - zijkleppen en onderklep - werden daarna in één keer gevouwen en de enveloppen kwamen met een open sluitklep uit de machine.
Met deze machine kon Hawes 10.000 tot 12.500 enveloppen per dag maken.
Het principe van het aanbrengen van de lijm werd later gebruikt in de automatisch gommerende zuigermachines.

Naar BEGIN

De lage snelheid van enveloppenmachines

Enveloppenmachine E. W. Goodale-1855 Elf jaar na de lancering van de eerste enveloppenmachine, gebouwd door Hill en De la Rue, was er in de productiesnelheid nog niet veel veranderd, getuige de beschrijving van het patent van de machine die in 1855 werd gebouwd door E.W.Goodale uit Clinton-Worcester in de staat Massachusetts.

Uit zijn patent nr 13647 d.d. 9 Oktober 1855 maken we op dat de machine als volgt werkte:
Eerst werd de bovenste platte enveloppenvorm van de stapel, op de sluitklep voorzien van gom .
Als het gomstempel naar boven werd gebracht, kleefde de betreffende stansling aan het stempel vast. Vervolgens werd mechanisch een wig tussen de gegomde stansling en de resterende stapel gebracht en werd de gegomde stansling verder getransporteerd naar lijmstempels voor het aanbrengen van de zijkleplijm.
Enveloppenmachine van E. W. Goodale-1855.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Na het belijmen werd de zijkleppen en de onderklep in één keer gerild en daarna omgevouwen. De sluitklep werd niet dichtgevouwen.
De kant en klare envelop kon met de hand uit de eindklem worden genomen of in een opvangbak vallen.

Dit geeft al aan dat de productiesnelheid van de machine erg laag moet zijn geweest.
De machine had tevens de mogelijkheid om reliëf aan te brengen waarvoor, aldus Goodale, stempel en houder het best met stoom konden worden verhit.
Naast het maken van enveloppen kon de machine ook zakken maken. Dit kon volgens Goodale beter vanaf de rol worden gedaan, in tegenstelling tot het maken van enveloppen, aangezien het "knippen" van deze basisvorm vanaf een rol problemen gaf.
Voor het maken van zakken moest de machine echter wel worden gemodificeerd overeenkomstig de door Goodale beschreven aanpassingen. Deze had hij al vastgelegd in een patent wat hij verkreeg op 24 Mei 1855.

Naar BEGIN

Inbreuk op patenten-I.

Na het op gang komen van de geïndustrialiseerde enveloppenproductie ontstond al snel een hevige concurrentiestrijd tussen de diverse producenten.
Men probeerde nieuwe uitvindingen te beschermen door het registreren van patenten en hield nauwkeurig in de gaten of bedrijven deze patenten niet overtraden.
In de "Newton's London Journal of Arts and Sciences" uit 1857 wordt een zeer uitgebreid verslag beschreven van het twee dagen durende proces op 13 en 14 Februari 1857 van De La Rue & Co. uit Bunhill Row tegen Dickenson & Co. uit King's Langley.

Patent De La Rue 1849

In dit proces was het de vraag, of het proces, waarmee Dickenson & Co enveloppen produceerden, in strijd was met patenten, die door De La Rue & Co. op 17 Maart 1845 en 18 December 1849 waren verkregen.
Het patent van De La rue uit 1845 had betrekking op het uitsnijden van de stanslingen en het machinaal rillen en vouwen van de kleppen.
Het patent uit 1849 was een aanvulling, c.q. verbetering van dit proces en had betrekking op het aanbrengen van sluitklepgom dmv bedrukking met een gomdruksysteem, wat gom afnam van een bewegend doek en deze gom overzette op de sluitklep.

Het bleek dat op 28 Februari 1849 Amédeé Francois Remond een patent onder nr. 12493 had verkregen op "verbetering van machines voor het vouwen en het produceren van enveloppen", en Dickenson & Co. had dit patent in november 1850 weten te verkrijgen voor 3000 pond met de verzekering, dat het niet in strijd was met het patent van De La Rue & Co. Het principe van Remond's machine berustte op het intrekken van de stansling dmv vacuüm. Klik op de afbeelding rechts om het patent te lezen.
Patentbeschrijving Warren De La Rue-1849

Tijdens de rechtzaak waren de machine van Remond en van De La Rue opgesteld in de rechtszaal, waardoor het hele productieproces door de rechter, aanklagers, verdedigers en de twaalf juryleden kon worden gevolgd.

De advocaat van De La Rue, Sir F. Thesiger, gaf aan dat het gebruik van deze uitvinding in strijd was met de voornoemde patenten.
Er werden diverse wetenschappelijke getuigen gehoord, waaronder dhr. De La Rue. Daarna werden diverse getuigen gehoord voor de verdediging, waaronder dhr. Applegath en dhr. Dickenson.
De advocaat van de Dickenson, Mr. Serjeant Byles verklaarde, dat Remond's uitvinding totaal verschilde van dat van De La Rue's patent en dat deze totaal geen overeenkomst vertoonden.
Een groot deel van de bewijsvoering had betrekking op het proces voor het aanbrengen van de gom en lijm.

Mr. Serjeant Byles, noemde alle bewijspunten voor de verdediging, waarop Sir Thesiger op zijn gemak op reageerde.

Lord Campbell De opperrechter, Lord Cambell, zette daarop in een half uur durende monoloog de hele bewijsvoering op een rij voor de jury.
Hierbij wees hij er onder meer op, dat volgens hem de in Remond's machine gebruikte perslucht om de kleppen om te vouwen, mocht worden beschouwd als een buitengewoon vernuftige uitvinding, en nauwelijks kon worden beschouwd als piraterij van De La Rue's patent maar zeker als een nieuwe uitvinding.
Hij adviseerde de jury zich niet te laten leiden door het feit dat beide machines grote verdiensten hadden, en om niet de machines als uitgangspunt te nemen, maar om zich te richten op de vraag of het productieproces van de verdediging wezenlijk wel of niet gelijk was aan dat van de aangeklaagde partij.
Chief Justice Lord Campbell

Na 58 minuten had de jury zich hierover een oordeel gevormd.
De voorzitter van de jury las hierna het volgende oordeel:
Het is de mening van de jury dat de funamentele delen van dhr. Remond's machine imitaties zijn van de delen, getoond in de machine van dhr. De La Rue en dat het opbrengmechanisme voor de gom zoals gebruikt in de machine van de beklaagde een aannemelijke imitatie is van het patent van dhr. De La Rue.
Op basis hiervan oordelen wij ten gunste van de eiser.

Naar BEGIN

Inbreuk op patenten-II.

Ook Julius Regenstein maakte zich rond 1904 volgens het gerecht schuldig aan inbreuk op een patent, betreffende het aanbrengen van een venster in enveloppen, door dit transparant te maken met bv vernis.
Lees hiervoor het artikel over "De Envelop Met Binnendruk".

Oneerlijke concurrentie:

In 1857 was de productie van papier in Engeland al opgelopen tot ruim 87.000 ton per jaar.
In de beginperiode van de commerciële enveloppenproductie was het de papiermakers in Engeland niet toegestaan om enveloppen te maken.
Toen dit echter door de regering werd toegestaan, waren veel enveloppenproducenten van mening dat er een stuk oneerlijke concurrentie ontstond.
Papierafval was immers belast met een speciale "Paper duty", een vorm van accijnsheffing.
Bij het snijden van de enveloppenvorm ontstond - aangezien de enveloppenvormen ruitvormig waren - veel snijafval.
De papierproducenten konden dit snijafval weer gebruiken om nieuw papier te maken en waren zodoende in het voordeel. De enveloppenproducent verkocht het afval voor £19/ton aan de papierproducent, maar moest over dit bedrag wel £14 en 14 shilling belasting betalen.
De roep om afschaffing van deze papier-accijns werd in 1857 dan ook regelmatig gehoord.

Naar BEGIN

TECHNISCHE ONTWIKKELINGEN IN DE ENVELOPPENPRODUCTIE IN DE 19e EEUW:

De eerste enveloppenmachines werkten nog lang niet optimaal en vaak niet efficiënt, wat mede te danken was aan de samenstelling en grote variaties in het gebruikte papier.
De grote toename in het gebruik van enveloppen zorgde er echter voor, dat er in hoog tempo allerlei verbeteringen werden aangebracht aan zowel machines als aan enveloppen.
In de navolgende onderwerpen wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste innovaties.


Snijden van enveloppenvormen:

Wilson- snijden van enveloppenvormen Tot 1840 werden alle enveloppen met de hand gesneden en gevouwen uit willekeurige rechthoekige bladen. In 1840 patenteerde George Wilson uit het Engelse Middlesex, St. Martin's court, een methode om een aantal enveloppen zodanig uit een groot vel papier te snijden, dat het snijafval per envelop sterk werd gereduceerd.

Wilson's patent voor het snijden van enveloppenvormen.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten en de patentbeschrijving te lezen.

Hij omschrijft zijn uitving als volgt:
"Normaal gesproken worden de vellen voor enveloppenproductie overlangs doorgesneden en daarna dwars, met rechte hoeken, in vellen verdeeld ter grootte van de envelop. Maar aangezien de vellen rechthoekig zijn, ontstaat er aanzienlijk afval bij het snijden van de enveloppenvorm.
Het vermijden van dat afval is het doel van deze uitvinding, door de dwars sneden te maken in diagonaal gesneden vellen uit de papierbaan, in plaats van de rechte snede."

Naar BEGIN

De envelop met schrijflijnen:

Envelop met schrijflijn-1859 Om het gebruik van enveloppen aantrekkelijker te maken en de positie van het adres meer te standaardiseren, bedacht de Amerikaan Emanuel Harmon uit Washington, in het district Columbia, in 1855 een envelop met schrijflijnen voor het adres.
Deze uitvinding verbeterde hij in 1859 en voor beiden vroeg hij patent aan.

In zijn patent nr. 23300, toegekend op 22 Maart 1859 schrijft hij:
"Mijn verbetering betreft het beregelen of belijnen van de binnen- of buitenkant van dat deel, waar het adres op wordt geschreven.
Het belijnen kan worden gedaam met inkt, zowel gekleurd als kleurloos.
Ik echter, heb een voorkeur voor het prägen van de lijnen tijdens het maken van de envelop."
Envelop met schrijflijnen voor het adres.
Patent US 23300 Emanual Harmon-1859

Voor het "prägen" gebruikte hij een blok met richels en een contrablok met gleuven, waar de richels precies in vielen.
Het belijningsprincipe van Harmon vinden we ook vandaag de dag soms nog terug in enveloppen, waarbij de plaats voor het adres en de postcode dia-positief (= uitgespaard in de bedrukking) in de binnendruk is aangebracht, zodat dit als doorschijnende, witte lijnen aan de voorkant van de envelop is te zien.

Naar BEGIN


Openen van enveloppen dmv een draad:

Een aantal jaren geleden, zo rond het jaar 2000, werd ik op mijn werk gebeld door een potentiële klant die mij vroeg, of "BuhrmannUbbens Papier" enveloppen leverde - of bereid was om deze te produceren - waarbij de envelop door middel van een draad kon worden geopend.
Het bleek dat de persoon in kwestie deze enveloppen zelf handmatig maakte en had vastgesteld dat hier wel een markt voor was. Maar omdat dit nogal erg bewerkelijk was wilde hij deze in grotere hoeveelheden machinaal laten vervaardigen.

Op mijn verzoek stuurde hij enkele exemplaren, waarbij een dunne draad in de vouw van de sluitklep was geplakt en een klein stukje buiten de envelop uitstak.
Nadat de envelop dichtgeplakt was, kon deze met de draad eenvoudig aan de bovenkant worden open getrokken.
Uiteindelijk bleek dat wij dit soort enveloppen jammergenoeg niet machinaal konden maken en moesten we de klant teleurstellen.

Enveloppen-opener Phelps-1858

Het idee was op zich niet nieuw.

Al in 1858 was voor dit soort enveloppen patent aangevraagd door Charles Phelps uit Salem, Massachusetts-US, die zijn uitvinding als volgt beschrijft:
"Mijn uitvinding bestaat uit een stuk koord van elk geschikt formaat en materiaal, parallel gelegd aan, en bevestigd in één van de plooien, gevormd tijdens het vouwen van de envelop, en van zo'n lengte dat het de voornoemde plooi volledig bedekt en voldoende lang is als het gebruik daarvan is vereist."
.......
"Wat ik claim als mijn uitvinding is: Het gebruik van een briefopener, waarbij voornoemde briefopener een deel is van de envelop, en bevestigd is aan voornoemde envelop en wordt gebruikt zoals beschreven in de specificatie."
Envelop met draad tbv openen envelop.
Klik op de afbeelding om het patent van Phelps te lezen

Mogelijk is deze uitvinding in de jaren daarna veel gebruikt.
Het was voor de "Novel Envelope Opener Company" in Denver-Colorado in ieder geval aanleiding om voor dit principe in 1893 onder nr. 76030 patent aan te vragen voor een speciaal voor dit doel geconstrueerde machine, die de draden machinaal kon aanbrengen.

Naar BEGIN


Rollensnit: enveloppen uit een rol papier:

Rollensnit van Pettee 1859 Het direct snijden van enveloppenvormen uit een rol papier was vóór 1859 al bekend. Hierbij liep de zijklep echter helemaal door langs de voorkant, de achterkant en bij de sluitklep, zoals hier rechts afgebeeld, wat een lastig te plakken en stijve envelop opleverde.

Rollensnit vóór 1859.

In 1859 patenteerde de Amerikaan S. E. Pettee uit Philadelphia in de staat Pennsylvania, een nieuwe, revolutionaire enveloppenvorm, gesneden uit een rol papier.
Pettee werkte op dat moment bij de North American Paperbag & Envelope Manufacturing Company in Philadelphia.
Bij dit productieproces werden in één keer de zijsnippers (zie E) en de vorm van de sluitklep (zie C) met een mes uit- en doorgesneden.

Uit het door Pettee beschreven en op 22 Maart 1859 verkregen patent blijkt jammergenoeg niet welk type enveloppenmachine werd gebruikt. Waarschijnlijk werd de enveloppenvorm als zodanig uit de rol gesneden en in een aparte gang op een bestaande machine gevouwen en geplakt.
In onderstaande tekening is weergegeven hoe de envelop werd gesneden.

Rollensnit van Pettee 1859

Als we deze snijmethode vergelijken met de manier, waarop vandaag de dag enveloppen van de rol worden geproduceerd, zien we, dat er maar weinig is veranderd, getuige onderstaande tekening anno 2008.

Rollensnit trapezium 2008

Het complete patent van Pettee is HIER te lezen

Naar BEGIN

Aftelmechanisme van enveloppen

Aftelmechanisme G. Reay-1862

De in Ierland geboren uitvinder George H. Reay (1837-1876) was een meester op het gebied van innovatie met betrekking tot enveloppenmachines. Als voormalig werknemer en assistent van George Nesbitt, vond hij in 1862 een mechanisme uit voor het aftellen van geproduceerde enveloppen, en kreeg daarvoor op 16 December het patent onder nr. 37199.
Dit principe, waarbij één envelop uit de stapel wordt geduwd als signaal dat er een bepaald aantal enveloppen was geproduceerd, wordt vandaag de dag nog steeds gebruikt op enveloppenmachines.

Nesbitt had een fabriek in Brooklyn, New York, maar opereerde vanuit een gebouw aan John Street 77 in Manhattan, waar de George H. Nesbitt Company een opslag had.

Aftelmechanisme G. Reay-1862.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Reay werkte in die tijd samen met een aantal andere uitvinders voor Berlin en Jones in de stad New York, een toonaangevend bedrijf wat in 1843 de eerste enveloppenproducent in de Verenigde Staten werd.

Naar BEGIN

Droogtrommel voor gegomde enveloppen:

De droogtrommel 
van J. Armstrong-1862 In 1862 ontwierp John Armstrong uit Philadelphia in de staat Pennsylvania een droogtrommel voor gegomde enveloppen. Een korte beschrijving vinden we terug in de "Index of Excecutive Documents of the House of Representatives of the United States" uit 1863.
Armstrong, werkzaam bij R.T. Kensil & Co., patenteerde deze uitvinding onder nr. 34326, op 4 Februari 1862.

Trommeldroger voor gegomde enveloppen.
John Armstrong-1862

Klik op de afbeelding om het patent te zien.

Bij de droger van Armstrong werden de enveloppen met gegomde sluitklep tussen banden over een trommel gevoerd. Hierbij werden de enveloppen dakpans gewijs achter elkaar gestaffeld (zie fig. 2 van het patent). Een ventilator blies over de baan enveloppen, waardoor de opgebrachte sluitklepgom droogde.
De trommel was een op zich zelf staand apparaat, maar kon - vlgs de patentbeschrijving - ook aan een bestaande enveloppemachine worden gekoppeld

Een aangepaste variant, waarbij de enveloppen niet óp, maar in de trommel werden gedroogd, werd in 1879 gebouwd door Abram A. Rheutan uit Worcester in de Amerikaanse staat Massachusetts. De enveloppen werden tussen lamellen in het rad gestoken waarbij een ventilator lucht tegen de enveloppen blies om het droogproces van de gom op de sluitklep te versnellen. Aan één zijkant was het rad deels afgeschermd om te voorkomen dat de enveloppen uit het rad werden geblazen

Dit principe vinden we terug in de machines van het type 49, die tussen 1950 en 1975 werden gebouwd door Winkler & Dünnebier.
In het droograd van het type 49 worden de enveloppen echter tussen platte, stalen veren ingeklemd, terwijl de enveloppen in het droograd van Rheutan los lagen.


Afb. links en midden: Patenttekening droograd van Rheutan-1879 Afb. rechts: droog-rad Helios type 49 van Winkler & Dünnebier

Naar BEGIN

Invoermechanisme voor enveloppenvormen

Invoermechanisme George Reay-Patent 41395-1864 George H. Reay, die in 1862 al een aftelmechanisme voor enveloppen had uitgevonden, ontwikkelde in 1864 een invoermechanisme voor stanslingen (de platte, niet gevouwen basisvorm van de envelop) dat zo betrouwbaar was, dat het een industriële standaard werd. Hiervoor kreeg hij patent op 26 Januari 1864 onder nummer 41395.

Het patent, waarvan hij zelf eigenaar bleef, droeg hij over aan George W. Bennett, die dit vervolgens overdeed aan John Q. Preble, een enveloppenfabrikant die fabrieken had in de staten Massachusetts en New York.
Preble was rond 1888 één van degene, die bezwaar maakten tegen inzage van de boekhouding door de staat New York.

Invoermechanisme voor stanslingen op enveloppenmachines.
George H. Reay-1864

Klik op de afbeelding om deze te vergroten

Hij beschrijft zijn uitvinding als volgt:
"Deze uitvinding betreft de werking of het gebruik van een haak of vinger, in combinatie met de standaard heffers of grijpers van een enveloppenmachine, of met elk ander gelijkwaardig apparaat, bedoeld voor het omhoog brengen of afleveren van de papieren stanslingen op zo'n manier, dat door de werking van voornoemde haak of vinger dat deel van het vel of vellen tussen of dicht bij de heffers of grijpers, enigszins naar beneden wordt gebogen zodra de grijpers omhoog gaan, waardoor elk vel of vellen die vast blijven zitten aan het vel wat in contact is met de grijpers, worden gescheiden, en de aanvoer van de stanslingen, één voor één, normaal door kan gaan, aldus afval, door het aan elkaar kleven van de stanslingen, waardoor telkens twee of meer stanslingen worden ingetrokken, te voorkomen."

In 1876 werd 90% van alle enveloppen in de Verenigde Staten geproduceerd op machines van Reay.

Jaren later, op 8 April 1884, verwierf Frances H. Richards uit Cleveland U.S. het patent nr. 296353 op een verbeterde versie van dit stanslingen invoermechanisme, waarbij hij in zijn patent verwees naar de door Thomas Waymouth in 1866 geconstrueerde enveloppenmachine, die naast vouwen en gommeren ook kon drukken en prägen (Patent 58327).

Naar BEGIN


Stansmessen en stansmachines voor enveloppenvormen

Invoermechanisme George Reay-Patent 
41395-1864 Er is weinig bekend over de exacte wijze, en de messen die werden gebruikt voor het snijden van de enveloppenvormen na de invoering van de eerste enveloppenmachines.
Eén van de oudst bekende mesvormen werd geconstueerd door Henry R. David uit New York, die een gekartelde mesvorm bedacht, bestaand uit een aantal losse messen die op een meshouder waren bevestigd.

Stansmes Henry David-1858.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Akte Dit mes was in principe ontwikkeld voor het snijden van zakken, vergelijkbaar met de tegenwoordige akte-enveloppen zonder sluitklep, maar kon ook worden gebruikt voor het snijden van andere, onregelmatige vormen.

Stansmachine Martial 
Dimock-1864 Het stansmes met stansmachine, die werd bedacht door Martial Dimock, komt echter al veel dichter bij de stansmachines, zoals deze in het begin van de 20e eeuw werden gebruikt.
Dimock, woonachtig in Newark, New Jersey, werkte bij Fitch, Estee & Cie. in New York.
Zijn stansmachine kon niet alleen de enveloppenvorm uitsnijden, maar tevens drukken en reliëfs aanbrengen.
Voor deze machine kreeg hij het patent nr. 44687 op 11 Oktober 1864.

Stansmachine Martial Dimock-1864.
Klik op de afbeelding om het patent te lezen

Naar BEGIN


Reliëf drukken van enveloppen:

Envelop met Thomas Waymouth, die eerder aan machines voor de productie van papier zakken had gewerkt, ontwikkelde voor Berlin and Jones in 1866 een enveloppenmachine met gommeerinrichting die tevens kon drukken, reliëfs kon aanbrengen en vouwen.
Op 25 September 1866 kreeg hij hierop patent onder nummer 58327.

Envelop uit 1843 met reliëf en bedrukte "postzegel".
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.


Alternatief voor het snijden van vellen:

J. Ball mode of cutting envelopes 1870 James Ball uit New York en werkzaam bij "Samual Raynor & Co.", bedacht een nog slimmere, alhoewel moeilijker te verwezenlijken methode dan George Wilson in 1840 had gepatenteerd, om vellen voor enveloppenproductie te snijden, waarbij nog minder afval zou ontstaan.

In zijn patent nr. 106451, d.d. 16 Augustus 1870, omschrijft hij zijn vinding als volgt:
"Om enveloppen uit te snijden wordt gewoonlijk eerst een rol papier tot vellen gesneden, elk vel groot genoeg voor zestien, meer of minder, niet gevouwen enveloppen. De vorm van deze vellen is een rechthoekig of een ruitvormig, maar in alle gevallen die mij bekend zijn, zijn de randen van de vellen recht, en ik heb vastgesteld dat door de vellen kamvormig of met inhammen te snijden, een grote besparing in papier kan worden verkregen."
Snijden van vellen voor enveloppenproductie.
James Ball-1870

Klik op de afbeelding om het hele patent te lezen

Met name het probleem, dat snij- en ondermes een speciale vorm moesten hebben, heeft er toe geleid dat dit principe verder nooit is uitgewerkt.

Naar BEGIN

Het eerste uitleg-radStaffelrad E. Allen-Lester-1873

Uitleg-rad E. Allen-Lester-1873 Tot 1873 werden enveloppen aan het eind van de machine meestal opgevangen in een bak of op een tafel, waarna deze handmatig moesten worden opgestoten tot nette stapels. Hierbij schoof de klep regelmatig over de andere enveloppen.

In 1873 bedachten de Amerikanen Edwin Allen, werkzaam bij "The Allen Manufacturing Company", en Daniel M. Lester uit Norwich, New Londen County in Connecticut, een uitleg-rad voor het opvangen van geproduceerde enveloppen aan het eind van de droogbaan.
Allen en Lester vroegen voor dit mechanisme gezamelijk patent aan, wat op 11 Augustus 1874 werd toegekend.

Het uitleg-rad van Allen & Lester-1873.
Klik op de afbeelding om het hele patent te lezen

Uitleg-rad E. Allen-Lester-1873
Hieronder volgt een korte beschijving van hun patent.
"Onze uitvinding houdt verband met enveloppenmachines, waarin een eindloze ketting wordt gebruikt voor het drogen, en bestaat uit een draaiende stang, voorzien van armen met grijpers onder de ketting waarmee de enveloppen zijn vervoerd om de lijm te drogen.
Deze grijpers pakken elke envelop net voordat deze de droger verlaat.
Terwijl de ketting de stang met armen voort beweegt, worden de enveloppen tussen de platen aan de ketting gepakt en stevig vastgehouden terwijl de stang een stuk verder draait, waarna de grijpers open gaan en de envelop op de paktafel wordt afgeleverd. Hierbij wordt de envelop gedraaid zodat elke klep tegen de voorgaande envelop wordt gezet, waardoor de klep niet onder één of meerdere andere enveloppe kan schuiven."

Het uitleg-rad van Allen & Lester mag worden beschouwd als de voorloper van de huidige uitleg-raderen.

In 1913 vroeg Henry A. Wise Wood uit New York patent aan op een vier-bladig uitleg-rad, wat in vorm al overeenkomst vertoonde met de moderne uitleg-raderen. Zie afb. 1 hieronder.
Dit principe werd voor het eerst toegepast in een krantendrukmachine, ipv in een enveloppenmachine. Het mechanisme was bedoeld om tussentijds een bedrukt exemplaar (krant) te kunnen beoordelen op de kwaliteit.
Voor dit uitleg-rad werd op 16 Juni 1913 onder nr. 1266742 door Wood patent aangevraagd ten gunste van de "Wood Newspaper Machinery Corporation".

In 1918 verbeterde hij het concept uit 1913 en loste daarmee het probleem op, wat de eerste versie had. In de eerste uitvoering ontstond nameleijk een tegengestelde bolling van de krant, waardoor deze vaak niet goed in het uitleg-rad werd gestoken. Voor dit verbeterde concept kreeg hij patent onder nr. 1363030 op 21 December 1920.

In 1923 kwam Wood met een nieuwere versie, waarbij het uitleg-rad was uitgebreid van vier naar acht schoepen. Hiervoor kreeg hij het patent, wat op 31 Juli 1928 onder nr. 1678895 werd vernieuwd. Zie afb. 2 hieronder.

Pas in 1931 werd het principe van het uitleg-rad voor het eerst toegepast in een enveloppenmachine. Het uitleg-rad was in dit geval een transportmiddel om de envelop van het drukwerk naar een station te vervoeren, waar de envelop werd voorzien van een metalen sluitclip. Het was verwerkt in een enveloppenmachine, uitgevonden door Lewis C. Pearce uit Cleveland - Ohio, die het patent nr. 2045490 op 4 September 1931 aanvroeg en over droeg aan "The Standard Envelope Manufacturing Company" in Cleveland.
In tegenstelling tot de gebogen lamellen was dit uitleg-rad uitgevoerd met rechte gleuven.
Zie afb. 3 hieronder.

Het duurde tot 1960 voordat het uitleg-rad zijn huidige vorm kreeg. Dit werd geconstrueerd door Abraham Novick uit Flushing, New York.
Novick is de drijvende kracht geweest achter veel uitvindingen ten behoeve van F. L. Smithe Machine Co., Inc., vandaag de dag nog steeds één van de grootste leveranciers van enveloppenmachines in de wereld, naast Winkler + Dünnebier AG, Körber PaperLink Group in Duitsland.
In totaal zijn minimaal 222 patenten van hem bekend op uitvindingen, die hij deed tussen 1914 en 1964.

Afb.1= uitleg-rad H. Wood 1913. Afb.2= uitleg-rad H. Wood 1923 Afb.3=uitleg-rad L. Pearce 1931 Afb.4= env. met metalen clip Afb.5= uitleg-rad A. Novick 1964

Naar BEGIN

Snijden van vellen voor enveloppenproductie

Invoermechanisme George Reay-Patent 41395-1864 James Ball, die in 1870 al het idee had gelanceerd om de vellen kamvormig of met inhammen te snijden, was inmiddels verhuisd naar Holyoke in de staat Massachusetts en werkte daar voor de "Holyoke Envelope Company". Hij bedacht een snijmachine waarmee de baan van een rol papier eerst in de langsrichting werd doorgesneden, waarna allebei de banen dmv diagonaal geplaatste messen tot vellen voor enveloppenproductie werden gesneden.
Deze snij-inrichting was gekoppeld aan een papiermachine.
Hij verkreeg op dit principe het patent onder nr. 311559 op 3 Februari 1885.

Snijmachine James Ball-1885.
Klik op de afbeelding om deze te vergroten.

Saillant detail is, dat er maar liefst 12 kinderen tusen de 10 en 16 jaar bij de Holyoke Envelope Co. werkten.
Momenteel produceerd het bedrijf zo'n 4,3 miljoen enveloppen per dag.

Te oordelen naar de tekening in het patent, had Ball het principe van de kamvormig gesneden vellen inmiddels losgelaten.
In 1886 verbeterde hij dit principe en legde dit vast op 16 November 1886 in patent 362848.


Naar BEGIN

Gommeren van enveloppen

Tot 1918 werden de sluitkleppen van enveloppen voorzien van een gommering door telkens de bovenste stansling van een stapel te voorzien van gom.
Deze methode kostte veel tijd omdat de gegomde stansling eerst moest worden verwijderd, voordat een volgende stansling kon worden gegomd.
Daarna volgde dan het vouwen van de onderklep en zijkleppen, waarna de gom en lijm moest drogen.
Bij een korte droogbaan moest warmte en ventilatie worden gebruikt, en bij een te snelle droging gingen de sluitkleppen krullen.

Hierdoor kon men enkel de stanslingen vooraf gommeren en daarna in een aparte gang vouwen op een walsenmachine, of de envelop in één keer vouwen en gommeren op plano-machines.
Voor het gommeren gebruikte met vaak een zogenaamde "uitstrijkgommeermachine", die de stanslingen dakpansgewijs staffelde en de gestaffelde baan onder een gomwerk met walsen doorvoerde. Het grote nadeel hierbij was, dat de hoogte van de gommering sterk variëerde en de gegomde stanslingen na droging handmatig moesten worden losgemaakt, omdat deze aan de bovenkant vaak aan elkaar waren gekleefd, en handmatig moesten worden gesorteerd om de stanslingen met afwijkende (te hoge of te lage gomrand) te verwijderen .
Ook de krul van de sluitklep moest handmatig worden weggestreken.

Al met al kostte dit veel tijd en was het uitschot groot, waardoor de productiesnelheid begrensd was tot ca. 90 stuks per minuut op een gom- en vouwmachine, en ca. 215 stuks per minuut bij vooraf gegomde stanslingen, die op een walsenmachine werden gevouwen.
Het combineren van een gommeermachine met een walsenmachine werd pas mogelijk door een uitvinding in 1918 van Max Dünnebier en Alfred Winkler uit Neuwied.

Intrek dmv zuiger Hierbij werd niet de bovenste stansling van een stapel gegomd, maar de onderste stansling met een zuiger van onder de stapel aangezogen en tussen twee walsen ingevoerd. De zuigerbeweging was gekoppeld aan de invoerwalsen zodat deze de stansling telkens over een bepaalde afstand transporteerde, waarna de volgende stansling werd aangezogen en bovenop de voorgaande stansling werd ingevoerd tussen de invoerwalsen.
Hierdoor werden de stanslingen op perfect regelmatige afstand van elkaar dakpansgewijs gestaffeld en na het gommeren met een walsengomwerk vervolgens iets uit elkaar getrokken, waardoor de stanslingen niet aan elkaar konden kleven.
Zuigerprincipe Winkler-Dünnebier

Patent 349878 W+D

Eventuele onderlinge ruimte-afwijkingen werden vóór het vouwstation gecorrigeerd door middel van een reguleerstation.

Door deze uitvinding was het ook niet meer nodig om de machine te stoppen om nieuwe stanslingen op te leggen, omdat deze van onderaf in de machine werden getrokken en de nieuwe stapel bovenop kon worden opgelegd.
Door de mechanische beweging van de zuiger te combineren met de aandrijving van het vouwstation werd het nu mogelijk om de gommeer-unit te koppelen aan het walsen-vouwstation. Winkler en Dünnebier kregen op deze machine patent op 20 Oktober 1918 onder nr. 349878.

Klik op de afbeelding links om het hele patent te lezen.

Patent 349878 W+D

Naar BEGIN


De eerste enveloppen met venster

Vensterenvelop van 
Callahan 1901 Toen de envelop tussen 1840 en 1900 langzamerhand gemeen goed werd, kwam er een stroom van verbeteringen en nieuwe uitvindingen op gang.
Zowel bij het snijden van het papier, de productie van de envelop als bij de verwerking van de post werden tientallen patenten aangevraagd.
Zakelijke briefkaarten, in een envelop gestoken, werden volop als reclame- en referentiemiddel gebruikt en de behoefte om adressen op kaarten door de envelop heen te kunnen lezen, nam toe.
Er werd bijvoorbeeld getracht om een deel van de envelop doorschijnend te maken door dit deel te behandelen met olie, waardoor een bepaalde transparantie ontstond (tracing-paper oftewel calqueerpapier) en het adres dóór de envelop heen kon worden gelezen.
Hiervoor werd bv lijnzaad-, papaver- of notenolie en terpentijn gebruikt, die in sommige gevallen werd verhit.
Dit procédé was vóór 1870 al bekend, getuige het patent nr 102030 d.d. 19 april 1870 van Julius Moog uit Karlsruhe, om dit proces ongedaan te maken door het transparante papier te behandelen met alkohol, waardoor de olie weer oploste.

Venster envelop van Americus F. Callahan-1901.
Klik op de afbeelding om de patentbeschrijving te lezen.

Op 9 December 1901 vroeg de Amerikaan Americus F. Callahan uit Chicago (district Cook in de staat Illinois) patent aan voor een envelop met een (dubbel) venster.
Hij verwierf het patent op 10 Juni 1902 onder nr. 701839.

Callahan's patent beschrijft de vensterenvelop als volgt:
"De envelop wordt gemaakt van een grotendeels voldoende dik of ondoorschijnend materiaal om de inhoud te beschermen, en wordt aangevuld met een transparant materiaal om de inscriptie te kunnen lezen. Hiertoe wordt de binnenkant bedekt met een transparant materiaal zoals, bijvoorbeeld, zeer dun rijstpapier, waardoorheen het verzendadres op de inhoud kan worden gelezen. Het adres moet zodanig op de inhoud worden geplaatst dat dit correspondeerd met het transparante deel van de envelop."

Callahan's idee was om voor zowel het verzendadres als het retouradres een stuk transparant materiaal te plaatsen en was daarmee de eerste, die een envelop met dubbel venster produceerde. Verder liet hij weten dat venster-enveloppen arbeidbesparing en tijdwinst konden opleveren.

Hij stelde in zijn patentbeschrijving ook, dat enveloppen veel kleurrijker konden worden.
"Zelfs zwart papier kan worden gebruikt voor enveloppen. Zwart papier heeft zelfs een voordeel op andere gekleurde papiersoorten omdat het contrast wordt vergroot tussen het adres achter het venster en de zwarte envelop."

Naar BEGIN

De envelop met binnendruk

In de begintijd van de envelop was er geen aanleiding om deze te voorzien van een binnendruk.
Het sulfaatpapier, wat in die tijd voor brieven werd gebruikt, was zo dik, dat men er toch niet doorheen kon kijken.
Rond 1903 kwam Julius Regenstein, de man die in 1904 de "Transo Envelope Company" in Chicago op zou richten, met het idee om een binnendrukinkt te gebruiken zodat banknummers, geldbedragen etc. niet meer leesbaar zouden zijn bij gebruik van dunnere papiersoorten.

Transo Envelope Company was ontstaan door de productnaam "Transo Envelope", een envelop waarbij het venster ontstond door een deel van het papier te vernissen, waardoor dit transparant werd.
Door de vernis kromp het papier echter op de hoeken van de vernisbedrukking. Door hierover een rand van groene inkt op te drukken, werd dit effect verholpen.

Patent 766902 Deze methode om een "venster" aan te brengen was in 1904 gepatenteerd door George Reese, die dit patent nr. 766902 voor de helft overdeed aan Regenstein.
Het was geen echte nieuwe ontdekking, want Americus F. Callahan had voor een soortgelijk procedé in 1902 al patent verkregen.
Patent tekening G. Reese. KLIK op de tekening om het patent te lezen .

De "uitvinding" van George Reese betrof een vel of rol papier, op bepaalde plaatsen transparant of semie- transparant gemaakt door:
- het papier op de papiermachine op bepaalde plaatsen dunner te maken;
- of: een transparant papier geheel te bedrukken, met uitzondering van die delen, die het venster zouden vormen;
- of: het papier op bepaalde plaatsen te behandelen met olie of een gelijkwaardige substantie.
De nieuwe "Transo Envelope" was echter geen succes. Enkele maanden na de productie verdween het transparante effect en werden de enveloppen teruggestuurd naar de fabriek.
Het probleem werd uiteindelijk opgelost door samenwerking met de Australische chemicus Otto Eisenschiml.

De nieuwe "Transo Envelope" van Regenstein was slecht gepatenteerd. De "bedrukte ring" rond het "venster" was bijvoorbeeld niet gepatenteerd. Ook de "American Envelope Company" produceerde de eveneens door hen gepatenteerde envelop, onder dezelfde naam, waarbij de betreffende buitendruk wél was gepatenteerd en spande dan ook een proces aan, wat door hen werd gewonnen.
Dit kostte Regenstein uiteindelijk meer dan $ 100.000,- aan claims.

Transo Envelope In 1899 had "The Zellerbach Paper Company" een papierfabriek gebouwd in Lebanon, Oregon. Deze fabriek voerde als nevenactiviteit een enveloppenlijn.
Bij deze enveloppen was een deel van het papier transparant gemaakt door het te bestrijken met olie uit walvisvet. KLIK op de afbeelding rechts om deze te vergroten.
Transo envelope Zellerbach

Op de achterzijde was de tekst "Pat Aug 9, 1904. A Zellerbach & Sons, Licensee, San Francisco, Cal" gedrukt en aan de binnenkant was de envelop voorzien van een groen bedrukt maaswerk van lijnen, in dezelfde kleur als de bedrukte ring rond het venster.
Ook Zellerbach noemde de envelop een "Transo Envelope".
De enveloppen werden onder licentie geproduceerd, waarbij de datum, die achter op de enveloppen was gedrukt, verwees naar de datum, waarop George Reese het patent voor diens envelop verwierf.

Zellerbach zou later samengaan met de fabriek van Crown, zodoende de Crown-Zellerbach co. vormen, welke in 1971 de papierfabriek van Van Gelder Papier in Velsen zou overnemen.

De meest gebruikte drukinkt tot aan 1950 was een op olie gebaseerde, met oplosmiddelen verdunde inkt . De inkt werd met een speciaal geëtste wals aangebracht, waardoor een marmer-achtig effect ontstond.

Enveloppen met binnendruk verschenen in Europa voor het eerst in de twintiger jaren.

Naar BEGIN

Enveloppen met voering

Envelop met voering Naarmate het papier voor enveloppen kwalitatief steeds beter werd, ontstond de behoefte om de inhoud van de envelop meer te beschermen tegen nieuwsgierige blikken.
Het bedrukken van de binnenzijde was al wel bekend (zie "De envelop met schrijflijnen-1859"), maar werd nog niet tot nauwelijks toegepast.

In 1898 kwamen de Française Louise Coste en de fransman Planche op het idee, om in de envelop een extra stuk papier te plakken - de voering - waardoor de inhoud niet meer kon worden gelezen.
Voering-envelop

In het Engelse patent nr. GB189803901A wordt haar uitvinding als volgt beschreven:
"Om te zorgen dat een envelop ondoorzichtig wordt, om de leesbaarheid van de inhoud te voorkomen, wordt deze voorzien van een voering waarbij de voorkeur uitgaat naar gekleurd papier."
Jammergenoeg zijn bij dit patent geen tekeningen of modellen toegevoegd.
Ook wordt in het patent niet aangegeven op wat voor soort machine dit dan zou moeten worden geproduceerd.

De eerste plano-voeringmachine

Envelop met voering Op 14 Februari 1912 wordt - voor zover bekend - voor de eerste keer patent verleend voor een machine, die in één machinegang een voering kon aanbrengen en de envelop kon vouwen. Het patent, nr. 265323, werd aangevraagd door de gebroeders Tellschow.
Adolf Tellschow, de uitvinder, was mede-eigenaar van de rond 1898 opgerichte Firma Gebr. Tellschow in de Grünauerstrasse 27 te Berlijn.
Tot dan toe waren al wel gevoerde enveloppen bekend, maar deze werden geproduceerd in twee aparte machine-bewerkingen. Tellschow ging uit van een bestaande plano-machine die volgens zijn patenttekeningen kon worden omgebouwd naar een machine met twee aparte oplegtafels, één voor de stanslingen en één voor de voering.

Klik op de afbeelding rechts om het patent van Tellschow te lezen.
Voering-envelop Tellschow


De machinefabriek van de gebroeders Tellschow heeft in ieder geval bestaan van 1898 tot 1939. In deze periode zijn minimaal 76 patenten aangevraagd, die vooral betrekking hadden op enveloppen- en papierbewerkingsmachines.

De eerste rollen-voering-machine

Voeringmachine Baumanns Omstreeks diezelfde tijd, op 13 Augustus 1913, werd ook een patent verleend aan Maria Magdalene Baumanns-Vällig.
Blijkbaar maakte zij deel uit van een familiebdrijf, want ook Gertrud, Wilhelm, Helene, Peter en Josefine Baumanns uit Rheydt alsmede Frans Baumanns uit Günhoven worden genoemd als patenthouder.

Het principe van deze machine berustte op een machine met twee rollen papier, waarbij de onderste papierbaan voor de envelop en de bovenste papierbaan voor de voering werd gebruikt. Uit de bovenste baan werd de voering gesneden, die op de onderste baan werd geplakt, waarna gom en zijkleplijm werd aangebracht. Daarna werd de envelop met voering uitgesneden en gevouwen. De afvalbanen van zowel de envelop als de voering werden op houten walsen opgewikkeld.

Klik op de afbeelding links om de tekening te vergroten.

Naar BEGIN

De poeder-dichte envelop

Poederdichte envelop Elco Papier AG-1949 Voor het verpakken van poeders en zaden werden jaren lang enveloppen en zakken gebruikt. Apothekers vouwden hun poeders meestal in papier.
Hierbij gebeurde het regelmatig, dat poeder of zaad verloren gingen ten gevolge van de gaatjes op de hoeken van de zak of de envelop.
De firma Elco Papier AG, voorheen J. G. Liechti & Cie., gevestigd in Neuallschwil (Zwitserland), bedacht een envelop die zodanig was gevouwen, dat er geen open hoekjes in de envelop zaten en deze dus "Poeder-dicht waren.
Het bedrijf vroeg hiervoor op 26 November 1949 patent aan en verkreeg dit onder nr. 276925 op 31 Juli 1951

Poederdichte envelop van Elco Papier AG-1949.
Klik op de afbeelding om de patentbeschrijving te lezen.

Naar BEGIN

Stempel- en frankeermachines

Arthur Pitney In Amerika werd een frankeermachine ontwikkeld door Arthur H. Pitney.
Tussen 1901 en 1904 experimenteerde hij met deze stempel en tellermachines en in 1910 veranderde het bedrijf "Pitney Postal Machines" zijn naam in "American Postage Meter Company".
Arthur H. Pitney


Postal meter Postal meter Pitney ging door met het verbeteren van zijn machine.
Hij verbeterde de snelheid en voegde er een dubbele teller aan toe. Eén voor de betreffende porto per poststuk, 1 of 2 cent, en een tweede teller welke vooraf kon worden ingesteld op het aantal poststukken.
In 1912 werd met toestemming van hoofdpostmeester Hitchcock voor het eerst gedurende de week van 9 Mei een officiële test uitgevoerd bij de krant "National Tribune".
Meter uit 1912
Meter uit 1929


Walter H. Bowes In 1919 ging Pitney samenwerken met Walter H. Bowes. De nieuwe maatschap, "Pitney Bowes", lanceerde de eerste succesvolle frankeermachine in 1920.
Walter H. Bowes


Lees meer over Stempel- en frankeermachines in Nederland in het onderwerp Postverwerking in Nederland.